een zwijgende spanning
een dunne draad van lucht
die trilt tussen wat ik voel
en wat zij nooit zal beleven
smeulende onmacht
als een warme adem tegen een dichte deur
handen die niets kunnen vasthouden
behalve jezelf
de geur van woorden die je herhaalt in je hoofd
en waarvan je niet meer weet of ze voor jezelf zijn
of voor zij die weigert ze te horen
zij zit aan de andere kant
te hoog om naar beneden te kijken
te ver weg om mijn stem nog als stem te herkennen
ik klink voor haar als ruis, als wind
als iets dat vanzelf weer overwaait
als ze maar lang genoeg wacht
want zij heeft tijd
zij heeft de macht
zij heeft de luxe om stil te staan
met de wetten die zij maakt
maar ik
ik sta tussen twee momenten in
het nu waarin niets beweegt
en het straks dat alles kan veranderen
onmacht is een langzaam woord
het sluimert, het zakt, het vult me op
soms vraag ik me af of ik nog spreek
mijn mond beweegt
mijn woorden vormen zich zorgvuldig
met die radeloze mengeling van hoop en wanhoop
maar zij kijkt door me heen
alsof ik de schaduw ben die een voorwerp werpt dat elders staat
alsof mijn aanwezigheid alleen maar het bewijs is
dat haar eigen verhaal sterker, helderder, logischer is dan het mijne
ik voel haar macht
niet als een hand die drukt
maar als een gewicht dat niets doet
en net dat niets doen is het zwaarste
het wachten draagt haar eigen geweld
een oog dat knippert zonder reden
een pen die tikt zonder haast
een adem die voorbijgaat zonder dat ze iets beslist
ik hou me vast aan elk detail
zo zorgvuldig dat het pijn doet
want in elk detail ligt misschien de beweging
die alles eindelijk in gang zet
er is een deel van mezelf dat schreeuwt
dat stampt
dat tegen de binnenkant van mijn ribben beukt
in de hoop dat mijn lichaam openbreekt
en er een waarheid uit stroomt
zo helder dat zelfs macht haar niet kan negeren
en toch, er is ook iets anders
iets dat groeit ondanks alles
een soort stille kracht
geen kracht die deuren opent
of wetten buigt
maar een kracht
die in mijn handen gaat zitten
in de manier waarop ik mijn rug strek
in de manier waarop ik blijf ademen
ook al voelt elke ademhaling
als een vraag zonder antwoord
die kracht is het besef
dat zij niet gemaakt is
voor mijn vorm van waarheid
en dat mijn waarheid daarom niet minder waar is
het betekent dat macht niet luistert
verwaasd door angst te beslissen
omdat macht niet hoeft te luisteren
en dat begrijpen meer te maken heeft
met willen dan met kunnen
tot dan ben ik de adem tussen twee woorden
de spanning voor de regen begint
ik leer de stilte uit elkaar te halen
ik haal het afwachten eruit
het onbegrip, het gewicht
en wat overblijft is een soort leegte
die niet koud is maar draaglijk
ik leer zitten in die leegte
zonder mezelf te verliezen
ik leer dat mijn eigen stem
een thuis kan zijn
zelfs als zij niet luistert
en in die ruimte, in dat zachte midden
daar vind ik mijn bron terug
een kleine, stille trouw aan mezelf
een weten dat ik compleet ben
ook als iemand met macht
mijn halve verhaal wegwuift
en mijn zelfkennis niet aanvaardt
en misschien is dat de echte kracht
niet het buigen van de wereld
maar het weigeren om gebroken te worden
door haar angst en traagheid
het vermogen om te blijven bestaan
in de schaduw van iemand
die ik niet voel
het vermogen om mens te blijven
waar macht geen menselijkheid nodig heeft
en als de dag komt
waarop de beslissing eindelijk wordt uitgesproken
en de wereld weer iets verschuift
dan zal ik nog steeds daar zijn
niet als iemand die gewonnen heeft of verloren
maar als iemand die zichzelf heeft gedragen
door het wachten heen
en dat is een vorm van overwinning
die geen macht ooit zal begrijpen
ik blijf hopen dat zij met alle macht een vinger optilt
een bladzijde omslaat
een angst loslaat
een gedachte toelaat
die niet eerder mocht bestaan

